Een half jaar geleden schreef ik me in voor de Ardennes Megatrail. Nu zit ik hier om iets voor twaalven in mijn tentje bij het licht van mijn hoofdlamp mijn rugzak in orde te maken. Ik controleer nog meerdere keren of ik alles heb en of alles op de juiste plaats in mijn rugzak zit. Vul mijn waterzak en knijp de eerste tien van in totaal twintig gelletjes leeg in de siliconen tubes. Nog vijf uur tot de start van de race waar ik al een half jaar naartoe leef. Tijdens die laatste voorbereidingen, zittend in mijn tentje, dwaal ik dromerig nogmaals over het pad wat me naar de start van deze trail bracht. Door het bliebje van mijn mobiel dat ik een SMSje heb ben ik weer terug in mijn tent. Het is al bijna één uur en snel ga ik in mijn slaapzak liggen om nog even te slapen.
Nog voor de wekker om half vier ben ik wakker en trek mijn kleren aan, duw een krentebol in m’n mik en kijk nog eens over de routekaart. Nogmaals bestudeer ik de langste en steilste hellingen. Sla op op welke kilometers de waterposten zijn en prent de “vorm” van het parcours in zodat ik ongeveer kan inschatten aan de hand van de zon en logisch verstand waar ik ben op de route.
Om iets na vieren hoor ik rob uit zijn tent kruipen, samen lopen we naar de start zo’n 300 meter verderop. In de sporthal bij de start is het een mierennest van in dure sportkleding gehulde, Frans kakelende atleten die of naar de wc pogen te gaan of aan het eten zijn. Bij de herentoiletten staat een lange rij, bij de dames is het leeg... al heupwiegend paradeer ik bij de dames naar binnen.

Iets voor half vijf gaat het startvak open. Ik geef mijn lange broek en trui aan Rob en stap in korte broek en t-shirt richting het gespannen lint bij de start. Even voelt het koud maar als ik armstukken aandoe wil ik ze na drie minuten in de race waarschijnlijk al kwijt, dan nu maar even fris. Na een paar minuten zie ik Jolanda Linschooten. Ook zij komt helemaal naar voren en tijdens de briefing in het Frans bespreken we kort over stokken, eten, hoofdlampen, genieten van lopen en de mooie nevel die we tegen het ochtendgloren zien hangen. Rob roept van buiten het startvak de belangrijkste mededelingen want zowel Jolanda als ik verstaan er geen bal van en letten ook helemaal niet op.
Om tien over vijf praat de speaker nog steeds, we starten dus met de Franse slag. Jolanda concludeert dat het voordeel daarvan is dat de hoofdlamp weg kan. ik volg haar voorbeeld: weer iets wat tijdens het lopen geen aandacht behoeft.
Een paar minuten later verheft de speaker zijn stem en beginnen de toeschouwers in het Frans af te tellen. Voor ons kijken we langs door een koker van fakels het ochtendgloren in: trois, deux, un! Begun it has!
Fantastisch, ik loop op de eerste rij, voor me is het leeg en stil, achter me een brede rups van hoofdlampjes, felle kleuren en opgetogen geluiden. Na een paar honderd meter voert de route het bos in en even schiet er door me heen dat we te vroeg onze lampen hebben afgedaan. Een donker gat gaapt ons aan. Snel neem ik de leiding zodat ik in het licht van mijn achterliggers kan kiezen waar ik loop. Het werkt prima. In een dansend schimmenspel ren in over de droge middenberm van een karrenspoor. Achter me hoor ik al wat gevloek van glijdende atleten.
Na een kleine lus omhoog dalen we weer af en zien we nog net de laatste van zo’n 500 lopers het bos induiken. We hebben een klein lusje gelopen en lopen nu weer door de start. Een kort strookje asfalt en daarna rechtsaf. Direct steil omhoog, “This is what I am designed for to do” schiet er door mijn hoofd. Een steile brede bosweg wordt een smal pad wordt een slingerend smal technisch paadje. Ik loop in derde positie en erger me aan het technisch onvermogen van de man voor me. Wanneer we even een paar rotsblokken op moeten springen stop hij met rennen en stapt behoedzaam omhoog. Ik wil rennen, ik wil vliegen, ik wil vlinderen*. Snel haal ik de man in en geniet ik van het slingerende pad. Met een man of vijf beginnen we aan de eerste afdaling. Een steil pad wordt steeds steiler en de nodige stenen worden losgewoeld. Een aantal van deze stenen gaan de competitie met ons aan en halen ons in het onderste gedeelte van de afdaling in. In mijn ongecontroleerde “grote passen, snel beneden” stijl schop ik tegen één van de stenen. Een felle pijn trekt er door de onderkant van mijn linker scheenbeen, maar geen tijd om op te letten want de afdaling eindigt in een modderig beekje waar we doorheen moeten. Opperste concentratie om met zo schoon mogelijke schoenen de overkant te halen resulteren in modder tot aan mijn knieën. Een mooie start dus: pijn aan mijn poot en schoenen vol met modder...
Drie man lopen langzaam bij me weg. Het frustreert me maar hun tempo is toch echt te hoog voor mij. De tip: you’ve got a plan, stick to it! schiet door mijn hoofd: ik wil de eerste 60 km goed doorkomen om daarna te kunnen strijden voor een mooie klassering. Een volgende loper haalt me bij en vraagt eerst in het Frans en als reactie op mijn gezichtsuitdrukking in het engels welke afstand ik loop. Ik stop nog net niet met lopen maar ik val qua woorden wel even stil. Het feit dat hij vraagt welke afstand ik loop houdt in dat de korte afstand tegelijk gestart is. Nooit gerealiseerd dat de mensen om me heen niet per definitie 88 km lopen. Ik antwoord dat ik de lange loop, hij zegt dat hij gaat voor het podium van de 50. Ik stop om te plassen.

Een beetje beduusd sta ik het vingerhoedskruid en de bosviolen van water te voorzien. Tjeemig de Peemig. Die lui voor me zijn dan vast allemaal van de korte afstand. Snel zet ik het van me af. Ik doe de aanname dat ik op de eerste plaats lig op de lange afstand en loop rustig verder. Op col du loup raken we voor het eerst weer asfalt na de start. Het is rond zessen en er staan tientallen mensen te klappen, grandioos! Met een gevoel van “als eerste over de laatste zware col in een bergetappe in de tour door te komen” hobbel ik het bos weer in. Na een klein stukje glooiend terrein duikt de route opeens steil naar beneden. Een trail langs een watertje vergt mijn volle concentratie: dan weer links van de beek, dan weer rechts. Over stenen, onder omgevallen bomen. Even snel als dat het begon houdt het ook op. Onder het spoor door, langs de Semois, het eerste stukje vlak. In de verte zie ik Rob al staan. Hij verteld in alle rust dat ik vijfde lig en dat het er goed uit ziet. Ik voel me ook goed, ik voel me super. This is my day!
Na het stukje vlak gaat de route weer terug onder het spoor en steeds steiler omhoog. Hollen is al heel snel niet meer mogelijk en hier begint waar ik misschien wel het best in ben: met grote stappen, duwend op mijn knieën hard omhoog lopen. Niet rennen maar een soort van zevenmijlslaarspassen. Heerlijk voelt het, mijn hartslag stijgt net als het aantal hoogtemeters. In een glimp zie ik rechts de Semois waar ik net nog liep al klein en nietig onder me. Wanneer ik boven op de kam kom straalt de zon me op ooghoogte vol tegemoet. Geen uitzicht wel een heel mooi beeld! Onder in het dal ligt de eerste waterpost, ik vul niets bij. Al vullen de aanmoedigingen mij wel aan.
De kilometers die volgen tot post twee heb ik niet volledig meer voor de geest. Het gaat gewoon makkelijk, een steile klim, slingerende paadjes tussen oude (kazerne?) gebouwen door en zo nu en dan een mooi vergezicht. Het volgende wat ik weer glashelder voor me heb is de afdaling naar post 2. Een slingerende singletrack met veel rotsblokken, varens en gaspeldoorn. Een exacte kopie van het schiereiland Crozon in Bretagne waar mijn ouders een huisje hebben: Trailrun Mekka! Gevolgd door een lange trap naar een monument en weer zo’n mooie technische afdaling. Smullen.
Onderaan de afdaling moet ik bij het zebrapad oversteken en vervolgens de Maas oversteken.
De tweede verzorgingspost is op het terrein van een metaalgieterij of iets dergelijks. Ik vul mijn camelbak met water en gooi er het boterhamzakje met afgemeten hoeveelheid sportvoeding bij. Snel dicht en weer verder! We moeten een rondje door de fabriek lopen, langs bulderende machines en grote vlammen. Het gebouw eenmaal uit een klein stukje langs de Maas en vervolgens steil omhoog tussen wat rotsblokken door naar een tunnel die uitkomt in een achtertuin. Een oude dame klapt voor me en denkt waarschijnlijk dat ik samen met 500 anderen gek ben. Fabriekshal, tunnel, achtertuin... ook dat is trailrunning.
Na de tuin gaat de route lang en steil omhoog. Een kerel met stokken haalt me bij en samen klimmen we naar de top. Onderweg halen we twee anderen in, ze klimmen duidelijk minder snel. Eén van hen is degene die aan het begin vroeg of ik ging voor de lange of de korte afstand. Het geeft me een gevoel van voldoening dat hij me daar, ombedoeld, uit het veld sloeg met zijn vraag en ik hem nu weer inhaal. Bovengekomen slingert het pad op en neer. De kerel met stokken is duidelijk een goede loper. Zijn tempo ligt me net te hoog en aangezien we nog niet op één derde zitten laat ik hem gewoon bij me weglopen.
Het slingerpad wordt een lange smalle, deels door bramenstruiken voerende, afdaling. Al vanaf het begin valt me op dat bijna de hele route is voorgereden door een crossmotor (geloof me dit zegt niets over de route, dit zegt alles over de bestuurder: moet minstens een winnaar van Parijs-Dakar zijn). Het spoor van deze motor is een mooie routemarkeerder maar breekt me nu op: De afdaling is een breed pad geworden en na een tijdje zie ik geen lint meer. Gefrustreerd loop ik terug en ontdek dat ik niet heb opgelet. De afdaling die ik had moeten nemen is heel steil en erg leuk, maar op dat moment kan ik er even niet van genieten. Scheldend op mezelf hobbel ik naar beneden.
Een paar kilometer verder loop ik Montherme binnen. Hier gaan we de Maas weer over en ik herinner me dat er daarna een lange klim komt met bovenaan de splitsing van de korte en lange afstand. Rob staat aan het begin van de brug. Dit is de vijfde keer dat ik hem zie. Hij heeft allang door dat ik niets van de goedbedoelde franse adviezen snap en op een korte, glasheldere manier vertelt hij wat ze bedoelen: op de stoep, trappetje af, onder brug door. Heerlijk zo’n rots in de branding.
Op de klim die volgt haal ik opnieuw de man van dé vraag aan het begin in. In het Engels mompel ik dat ik verkeerd liep als een soort van excuus, maar vanuit mijn ooghoeken zie ik dat het niet uitmaakt wat ik zeg. Hij zit helemaal stuk, een wandelend lijk, helemaal grijs. Ik stap stevig door omhoog en boven slingert het pad weer leuk en technisch tot de splitsing van afstanden. Vlak voor de splitsing haal ik nog één iemand in. Hij zwalkt een beetje en dus vraag ik of alles goed gaat. In zijn brabbel versta ik iets van “terminee” en dat betekent volgens mij iets van “het is over en uit”. Omdat ik niet iemand achter wil laten die het slecht maakt vraag ik terwijl ik hem strak aankijk: “but you can can go on by your self?” Als uit een droom komend staan z’n ogen opeens helder en zegt: “yes yes, you run”.
Na de splitsing volgt een kilometer of vijf van makkelijke paden, maar met één hele lange en steile klim. Ik herken de klim direct uit één van de youtube filmpjes en het feit dat ik de klim herken geeft me energie. Met grote stappen en duwend op mijn knieën voel ik mijn kuiten en hamstrings protesteren. Ik negeer mijn onderdanen en zeg hardop tegen mezelf op het ritme van de stappen: “en dit is waar-om ik kracht-train-ing doe” keer op keer tot ik tevreden boven kom. Het pad naar beneden is simpel en wanneer ik onder hoogspanningsmasten doorloop weet ik dat de volgende waterpost vlakbij is. Langs de Maas bij een mooi huisje staan weer honderden flessen water te wachten. Ik pak er één en begin mijn camelbak routine. De raceleader is ook hier, hij vertelt me dat ik op plaats twee lig en vraagt me wat ik er van vind. Hij houdt mijn rugzak vast terwijl ik de fles leegschenk en hij geniet zichtbaar wanneer ik zeg: “this is what I came for”. Snel het poeder erbij en weer verder!
Na de verzorgingspost loopt de route nog even lieflijk langs de maas om vervolgens... Om het op z’n Tommies van Sesamstraat te zeggen”Poeh Hé” de steilste klim ooit op te moeten. Een rechte lijn van de Maas omhoog. Vastpakken aan boomstammen en aan de touwen die gespannen waren. Pijn in mijn kuiten, pijn in mijn bovenbenen, pijn in mijn armen, pijn in mijn longen. Halverwege kijk ik heel even om en bijna val ik achterover. Snel pak ik een boompje vast en kijk nogmaals. Grrrrr er komt iemand aan en die is helemaal niet ver weg. Bovenaan de klim wandel ik een stuk door om op adem te komen voor ik weer ren. De kilometers die volgen gaan moeizaam. Ik kan het niet laten steeds om te kijken en wandel ook nog een aantal keer even. Gewoon omdat ik er even doorheen zit. Wanneer het pad gaat dalen dendert mijn achterligger over me heen. Out of the blue haalt hij me in en loopt ook direct bij me weg. Heerlijk zo’n mentale opsteker :-( Wanneer hij een meter of honderd voorsprong heeft voel ik me echt moe. Ben uit het veld geslagen. Moet vechten tegen negatieve gedachten dat het vanaf hier een komen en gaan van achteruit het veld komende atleten zal worden. Om mezelf uit deze maalstroom te halen tik ik even het baretembleem van “the parachute regiment” dat om mijn nek hangt aan. Het embleem en veel belangrijker nog, de vorige eigenaar ervan vocht in september 1944 een ongelijke strijd tegen de duisters op en bij de Rijnbrug in Arnhem. Jim de Arnhem veteraan is mijn grote voorbeeld. Hij is mijn toonbeeld van niet opgeven, nooit overgeven, altijd doorgaan, altijd verder! Een beetje energie komt weer terug.
Een kleine kilometer verder gaat de route plots bijna loodrecht naar beneden. Langs touwen is een route gemaakt. Normaal is hier geen pad. Ik zie de ideale lijn en laat me op mijn kont naar beneden glijden. Halverwege schiet ik met een hoorbare lach weer naar plaats twee. Nooit te oud om te spelen!
Onderaan word ik snel weer ingehaald door de andere atleet maar ditmaal voelt het niet slecht. Een klein stemmetje zegt me dat ik hem nog wel zie. Via een spoorbrug loop ik de Maas weer over naar het dorpje Laifour. Rob staat op een hoog talud en roept me toe dat het wel erg lekker gaat. Kort wisselen we, terwijl ik doorloop, wat woorden en alleen ben ik weer. Na Laifour volgt een lange klim die boven gekomen overgaat in het mooiste stukje van de race: Half op de helling slingert een smal pad om bomen telkens een aantal meter omhoog en dan weer naar beneden. Ik beeld mezelf in dat ik op mijn MTB zit en manoeuvreer behendig om de bomen heen. Mijn wielen hebben overal grip en zelfs de grootste drop-offs neem ik zonder angst. Genieten! Na een paar kilometer houdt het plots op bij een groot houten hek waar ik overheen moet klimmen. Bovenop is de weg vlak en saai.
Het saaie pad wordt al snel een afdaling. In de afdaling word ik me voor het eerst bewust van de pijn aan mijn scheenbeen. De steen aan het begin is toch harder aangekomen dan ik gehoopt had. Vooral het dalen doet pijn. Afleiding zoekend in berekenen wanneer de volgende waterpost is helpt. Na de afdaling volgt het langste stuk vlak. Wel drie kilometer langs de Maas. Saai en niet inspirerend. Wel inspirerend is het huppelen van twee blonde kleine dametjes in mijn richting. Mirre en Jette lopen me tegemoet vanaf de waterpost op km 50. Annette is aan het filmen en rob verteld weer kort en bondig dat ik zo het stadhuis in moet voor water: “niet luisteren naar al dat gekakel, gewoon naar binnen. Dat is tenslotte alles wat ze te melden hebben” Duidelijkheid boven alles :-)

Binnen ziet en strenge vrouw er op toe dat ik alles zelf doe, de vloer niet vies maak en al helemaal niet uit de flessen drink. Snel water in die zak en naar buiten. Buiten ga ik op een muurtje zitten en de race doornemend met Annette en Rob vul ik mijn tubes met nieuwe gelletjes. Mirre en Jette willen helpen maar met de strenge vrouw in mijn gedachten vertel ik dat ze alleen mogen kijken. Wanneer alles gevuld is loop ik terug naar binnen om het afval weg te gooien en bij de gratie Gods mag ik ook nog mijn handen wassen... En weer verder!

Volgens het hoogteprofiel volgt na dit dorpje de langste klim van de race. Rustig hobbel ik dus weg. De Maas weer over, weg oversteken en daarna gaat het inderdaad heel lang omhoog. Niet rennend maar met mijn grote passen loop ik omhoog, nergens in moeilijkheden, gewoon stevig door. In de afdaling staat mijn fanclub opeens weer en ze roepen dat de nummer twee op drie minuten voor me ligt. Dat klinkt goed. Het was volgens Rob vijf minuten geweest, het gat wordt kleiner.
De route komt nu voor een kilometer of twintig niet meer bij de rivier. Op een glooiend plateau worden de paden rechter en saaier. Op veel plaatsen is recent hout gehakt en grote vrachtwagens hebben voor kilometers de paden omgewoeld. De regen van de voorliggende periode hebben het geheel nat, glad en drassig gemaakt. Met een muziekje op mijn oren ter afleiding probeer ik het tempo constant te houden. 55 km onderweg en dat begin ik ook wel te voelen. ik voel me niet slecht maar mijn poot doet zeer en wanneer de omgeving niet afleidt is het lastig daar niet op te letten.
Plots krijg ik de nummer twee in het vizier. Een kleine “YES” ontsnapt me en het tempo gaat direct wat omhoog. Met 57 km op de teller haal ik hem bij en zeg in het Nederlands “kom op hè, hou vol” De strekking begrijpt hij prima want hij kiest mijn “wiel”.
Voor twintig kilometer strijden we niet tegen elkaar maar met elkaar. Twee keer loopt hij bij me weg op het vlakke maar in een klim kom ik terug. Eén keer loop ik bij hem weg op een klim en op het vlakke komt hij weer terug. We praten niet veel maar begrijpen prima wat er bij de ander omgaat. Aangezien ik steeds eet en drink als ik achter hem loop, vraagt hij na enige tijd of ik iets nodig heb. Bij de waterpost op 65 km is hij sneller klaar maar wacht even op me. Samen komen we aan bij Roc la Tour op 75 km. Deze rotsformatie moet op twee plekken bedwongen worden met touwen en ladders. Bovenaan bij de tweede klim ben ik leeg. Ik voel dat ik nog maar weinig reserves heb. Als eerste van ons twee kom ik boven maar ren niet door. Ik wandel en m’n kompaan haalt me rennend in. vijftig meter verder stopt hij. Hij draait zich om en zegt: “Ca va?” Ik antwoord: “go on, run, you’re stronger!”
Hij draait zich weer om en rent bij me weg. Na een kleine wandeling ren ik ook weer door. De route is simpel en na een afdaling kom ik bij de laatste waterpost. Voor de post moet je de brug over maar de route gaat aan deze kant van de rivier weer verder. Mijn hoop dat de nummer twee nog bij de post is komt uit. Op de brug kruisen we elkaar. We geven elkaar een high five en van de intentie van de klap krijg ik energie. Voelde ik me zonet nog een loser, nu voel ik me een winner die, als ik m’n kop blijf gebruiken op plek drie eindigt.
Bij de waterpost kunnen ze me niet vertellen hoever ik voorlig op de nummer vier, met een portofoon probeert een meneer nog een antwoord te krijgen maar tevergeefs. Wanneer ik wegloop roept hij me nog allemaal zeer welgemeende woorden toe. Hij zag waarschijnlijk een paar zeer vermoeide ogen en een naar de finish verlangende blik. Nog één keer verder.
Nog één lange klim. Gedoseerd maar niet langzaam loop ik omhoog. Nog een paar kilometer vlak en nog één deels technische afdaling waar ik niet veel meer van weet behalve dat ik continu deelnemers van de vijftig km inhaalde. Telkens iemand inhalen, al is het een andere competitie, een andere strijd geeft (een beetje) energie.
De laatste afdaling eindigt bij een bruggetje waar een vrijwilliger mij enthousiast onthaalt. De laatste kilometer voert door gras en gekapt onkruid. Wanneer ik bij het finish terrein kom moet ik nog twee bochten om. Na de eerste zie ik Jette op me af rennen en krijg een brok in mijn keel. Samen lopen we naar de laatste bocht waar Annette me toejuicht en Rob me trots aankijkt. Mirre loopt vanaf hier ook mee en met zijn drietjes lopen we over de finish.
In die paar seconden na de finish denk ik terug aan wat een half jaar geleden begon.
Dromen deed ik alleen van het podium, maar nu is het werkelijkheid. Tranen lopen over mijn wangen en Jette kijkt me vragend aan. Met een dranghek tussen ons in omhels ik Annette en bezwijk bijna onder de schouderklop van Rob. Even niet meer verder, even zitten.

* Vlinderen: zonder belemmerd te worden door de zwaartekracht en met een brede glimlach van oor tot oor rennend, glijdend, stuiterend, hinkend, huppelend en springend over zandpaadjes, rotsen en boomstammen en door beekjes voortbewegen met als doel niets anders dan een zeer euforische variant van “runners high” te ervaren.
site: IanusWeb
Reacties
enne
...en ze zagen dat t goed was.
Kippenvel!
Wat een verslag en wat een fantastische race heb je gelopen!
mooi
wat een prachtige race en wat een schitterend verhaal. dank je wel! oh, en gefeliciteerd ook trouwens.
dromen
Mooi verslag van een prachtige race en dreams can come true
!