Selecteer een pagina

Beulswerk in de PTL (racereport)

door | aug 31, 2016 | Nieuws, Race report

‘It’s a holiday in Cambodia….. Pol Pot, Pol Pot, Pol Pot’. De Dead Kennedies neuzelen al etmalen door mijn gekookte brein. ‘Killing fields’, marteling, killed by stress and fear… Er schiet van alles door mijn hoofd. Pol Pot gebruikte hamers en stenen om de schedels van gevangenen in te slaan. Kogels waren schaars tijdens zijn regime… Ik dagdroom.

Terug naar de werkelijkheid. Die begint langzaam best pijn te doen. Ik heb net ontdekt dat ik een extra halve liter fles water ben vergeten in Morgex, de base vie op 200 kilometer. Water op rantsoen dus. Ik loop een stuk voor Robin uit op een steile droge grashelling naar de top van de Mont Cormet (2500m), onder een brandende zon.

Vijf i.p.v. zes

De 1500 stijgingsmeters door de droge graspollen komen hard aan, hier nergens een beekje dat verkoeling geeft of een boom die wat schaduw biedt. Cooked brains, cooked brains, cooked brains…… ik kijk naar beneden. Duizend meter pal onder me ligt Morgex in het Aosta dal, nog 500 meter is de klim naar de Cormet, belooft mijn hoogtemeter. Ik speur onder mij naar het oranje shirt van Robin. Die lijdt gruwelijk. Uitputting door slaaptekort en inspanning vermengen zich met pijn van blaren en beknelde voetzenuwen. De kokende zon doet de rest. Hij zoekt vast naar een pad dat er niet is. Dit is de PTL, paden zijn schaars.

‘Ik wil die PTL nog wel een keer doen, maar nu in vijf etmaal in plaats van zes,’ was de gedachte na mijn eerste PTL avontuur met de Vermeulens (Ernst Jan en Renske) in 2015. Ik weet dat ik dit kreng in vijf etmaal kan slechten, onder de juiste omstandigheden, met een evenwichtig team. Dit is meer mijn terrein dan het snelle geloop over paden. De PTL is een rondje van 300 km om de Mont Blanc, met 25 km aan hoogtemeters. Het terrein is een uitdaging, evenals de geringe support onderweg. Je bent grotendeels op jezelf aangewezen. Je regelt deels je eigen eten onderweg, en je navigeert met kaart en kompas en gps. Het ruige terrein, de autonomie (weinig verzorging) en de grote hoogteverschillen (tussen de 900 m en 3100 m) maken het zwaar.

Mijn grote probleem is het feit dat de PTL een teamuitdaging is. Individueel inschrijven kan niet, je moet met een of twee andere teamleden de finish zien te halen. En een teamplayer ben ik niet. Er komen maar weinig Nederlandse lopers in aanmerking voor dit tochtje, weet ik. En twee daarvan vormen een eigen team. Die twee, Gideon en TD, zijn sowieso een paar maatjes te sterk voor mij.  Uiteindelijk vorm ik een team samen met Robin Kinsbergen. Hij heeft twee Tor des Geants op zijn naam en de Legends Trail. Dat klinkt als een goed cv voor de PTL. Maar het blijkt in praktijk helaas niet voldoende. Waar Ernst Jan vorig jaar na 120 km begon om te vallen, komen de eerste flinke scheuren bij Robin er al veel eerder, dit jaar. In het moreneterrein verliest hij veel tijd, zijn hoogtevrees belemmert hem in steile afdalingen, de stukken waarbij we over via ferrata’s klauteren moet ik zijn stokken in mijn handen nemen, om hem ervan te vrijwaren zichzelf te spiezen. Het rauwe PTL-terrein kost Robin extreem veel kracht en mentale energie. Langzaam maar zeker verkrampt hij, een ontwikkeling die vergelijkbaar is met die van Ernst Jan vorig jaar. Pff! Heb ik weer.

Ik baal van mezelf. Ik had meer werk moeten maken van het voortraject met Robin naar deze race, of een andere partner moeten kiezen. Ik en het terrein slopen Robin, wordt al meteen de eerste dag duidelijk. Als ik Robin opwacht, loop ik meteen door als hij me heeft ingehaald, terwijl Robin toe is aan een pauze. Het is een optelsom van ellende voor mijn teammaat. Onbalans. De krachten zijn ongelijk verdeeld. Van een team waarin iedereen zijn taakje heeft is geen sprake. Ik herken de situatie die wel eens ontstaat als ik met Gideon op stap ben. Maar die trekt na een paar dagen meestal wel bij tot iets wat min of meer in balans is. Zo niet in de situatie tussen mij en Robin. Gaandeweg de race bedenk ik hoe ik Robin erdoorheen kan slepen. Dat doe ik niet uit liefde voor Robin, hoezeer ik hem ook mag. Het is grotendeels eigenbelang. Zonder hem kan ons team niet finishen. Tom Poes verzin een list!

Zijn voeten zijn steeds blaarderiger en hij heeft bijna ondragelijke pijn aan zijn voetzolen. Robin slikt volcontinu pijnstillers, maar ook dat heeft nauwelijks nog effect, op zeker moment.
Als ik weer eens op een rotsblok op Robin zit te wachten denk ik aan Gideon en TD, die een stuk verderop vast lekker over een graatje dartelen. Dat wil ik ook, dit voelt niet ok. TD en Gi gaan steady, lees ik af uit de doorkomsttijden op de controleposten, waar ik langskom. Tweede plek, derde plek, doe dat maar eens, tussen al die Zwitserse en Italiaanse berggeiten.

Aan de andere kant krijg ik ook steeds meer ontzag voor mijn teammaat. Ik zou met zoveel pijn allang zijn uitgestapt, maar Robin heeft zo’n sterke wil dat hij zijn pijn grotendeels verbijt. Urenlang,, dagenlang, nachtenlang. Wat een bikkel. Ook zie ik hoe Robin zijn angsten overboord zet als hij wat klimpassages neemt, op de Col d’Autane, het topje op van het Chamonix dal naar de Zwitserse grens. Klimmen kan hij niet, maar hij flikt het mooi wel om naar boven te klauteren. Knap en psychologisch sterk, maar dit gestuntel hoort natuurlijk niet thuis in de PTL.
Ik gids Robin dagenlang, maar tegen de tijd dat we Zwitserland verlaten en Italië inlopen via de Fenetre Durand, trek ik het niet meer om voor twee mensen te denken en te beslissen. Waarom gaan we niet gewoon één keertje een dagje lekker voluit? Ik heb geen zin meer om uit te leggen welk stukje rots Robin moet vasthouden en waar hij zijn voeten moet zetten, hoever het nog is naar de volgende col, en wanneer we weer eens bij een hutje komen…

Ik loop een heel lang stuk op mijn eigen snelheid door de nacht, het voelt bevrijdend. Het blok beton blijft achter. Dan realiseer ik me dat Robin mijn echte uitdaging is. De PTL solo uitlopen kan iedere goed getrainde alpiene onderbouwde ultraloper wel, maar wie kan dit probleem tackelen samen met een stresskip met hoogtevrees?

Rifugio met tiramisu

In Italië draait de sfeer. Het eten in twee hutten is heerlijk, de cappuccino evenzeer. De dames die ons in de rifugio Champillion bedienen doen dat met energie en vrolijkheid, het geeft weer zin. De  tiramisu die we als ontbijt verorberen met een goede koffie smaakt goddelijk, nadat we ter nachtrust een uur of anderhalf in de yurt naast de hut lagen. Ik krijg flashbacks naar de Tor des Geants van 2014, die ook deze berghut aandeed. Wat was dat toch kinderspel in vergelijking met dit PTL monster.
In Etroubles ontmoeten we twee van onze eigen dames, Mumu en Nicole. Ook die leveren weer een dosis prettige energie. Het lijkt erop alsof hier op de helft van de race het tij gaat keren. Robin loopt wat sterker en verbijt zijn pijn naar beneden lopend, onze gesprekken zijn positief en diepzinnig. Recht door het midden vertel ik hem hoe ik over hem denk. Ik vind dat hij maar gestressed is, maar verder een goede jongen. En ik vind hem dapper. Je moet het maar aandurven met die beul die je met een grote grijns op zijn bakkes het vel over je oren trekt. Uitstappen is geen optie.

De nacht die volgt gaat het dan toch weer mis. We hebben de zoveelste hete dag overleefd. Het gebrek aan slaap hoopt zich op. Omdat we zo traag zijn is er weinig tijd om te slapen. Een uurtje hier een paar keer twee uur daar, we komen aan een gemiddelde van anderhalf uur per nacht, en dat is weinig, daar we zes nachten onderweg zijn. Vanaf dag vier loop ik in een soort zombiemodus. De hete daglichtperiode eindigt in de rifugio Fallere. Opnieuw good vibes hier. Een mooi hutje waar zich veel prettig volk heeft verzameld. Er is goed eten en een stevig bed. We eten en drinken er en slapen een uurtje. Dan gaan we op weg naar Morgex, onze tweede lifebase. Het is tien uur in de avond. Robin belt met het thuisfront. Het gaat niet goed. In zijn restaurant in Nederland is het retedruk en het personeel kan het nauwelijks aan.

Achteraf wordt de situatie door een klant in een recensie met een Monty Python scene vergeleken. John Cleese, daar is hij weer. Fawlty Towers. Ik zou daar voor tekenen, maar Robin windt zich er ontzettend over op. ‘Moet ik dan iedereen ontslaan?’ Vraagt hij zich hulpeloos af. Het is aangrijpend om de onmacht in zijn stem te horen. Ik stop even op 2700 meter hoogte en probeer de kalmte terug te krijgen. ‘Robin doe je licht eens uit.’ Boven ons bewonderen we voor de zoveelste keer een minuutje de Melkweg en de vallende sterren. Ik zie er een en doe een wens. De wens zou uitkomen op zondag, in Chamonix…Toch blijft Robin’s stress. Hij is opgefokt. Ik snap er niets van. Zijn we hier dan niet samen als team een monsterlijke tocht aan het overleven? Wat moeten we met dat verhaal over zijn kippenvreetschuur in Nederland? Zet die stomme telefoon dan ook eens uit. Het werkt zeer verstorend. De negatieve energie trekt Robins moraal naar beneden. Het lukt hem maar met moeite om het technische stuk over de graat door te komen. Continu moet ik Robin sturen: ‘Loop om dat gele rotsblok heen en dan scherp naar rechts… zet je voet daar op dat graspolletje… Ga weg bij dat gruis, dat ziet er instabiel uit! …’

Een team haalt ons in. Het zijn JP en ‘zijn’ Japanner. We kennen elkaar inmiddels wel. Het is er op en erover, zou de Kneet vroeger zeggen. Voor we het door hebben zie ik hun lichten al op het volgende topje voor ons. ‘Hoe lang duurt dit nog?’ zeurt Robin. ‘Houd het positief,’ riposteer ik. Je hebt niets aan negatieve gedachtes. ‘Kom op man, je loopt prima’ pers ik er iets later met moeite uit. Want Robin loopt als een krant door het terrein, een afwisseling van rotsblokken en puingruis, en het traverseren van steile graspol hellingen… Hij is helemaal verkrampt, het is geen gezicht. Ik heb met hem te doen.

Na vier uur gekluun door dit terrein stuiten we op drie teams die zich hebben vastgelopen. JP en zijn Jap, drie Spanjaarden en drie Portugezen. We zitten op een topje maar er is geen logische weg naar het colletje, een meter of dertig onder ons. Een van de Portugezen is een stoere militair. Hij zoekt in de duisternis door de rotsen een weg naar beneden die voor zijn team te doen is. Even later gejuich, de Portugees staat op de grascol. Snel klimt hij terug om zijn teamleden de weg te wijzen. Een van de Portugezen gaat hyperventileren als hij de klimpassen naar beneden moet maken. Zijn maten helpen hem zo goed mogelijk. Ik zie zijn betraande gezicht. Terror! Ik ben aangeslagen door de hyperventilerende volwassen man. Niet alleen Robin heeft het moeilijk. We volgen de Portugezen. Robin ziet het totaal niet zitten, maar volgt. Hij is de regie over zijn leven even kwijt. Het is die kwelduivel die hem bevelen geeft die hem als enige naar de Verlossing kan leiden. Het laatste stukje van de afklim is ronduit tricky. Een spreidstand over een gapende afgrond, met twee halfzachte handgreepjes als enige back up. Laten we het een dynamisch stapje noemen. Ik neem de passage en gids Robin er beweging na beweging doorheen. Robin stijgt boven zichzelf uit. Iedere vezel in zijn lijf verzet zich hiertegen en toch staat hij met wat vijven en zessen iets later aan de goede kant van de afgrond.

Bier en douche

‘Goed gedaan jochie, zie wel dat je dit kunt?’ Lach ik. Robin slaakt een diepe zucht. En door gaat het. Nog een paar uur. Want overal waar je in de PTL denkt dat je ergens bijna bent, duurt het toch nog een paar uur. ‘Het is echt niet leuk meer,’ zegt Robin. Voor de zoveelste keer. Maar had ik vooraf niet reeds 100 keer aangekondigd dat genieten en PTL geen grammaticaal juiste combinatie kunnen opleveren?

In de lifebase in Morgex is er bier, vroeg in de ochtend. En een douche en twee uur slaap. Daarna de meest overbodige helling van het parcours, waar dit verhaal mee begon. Heet, steil en eindeloos lang. We zitten op dik 200 km in de race. Dat klinkt in ieder geval al lekker ver.
Na de Mont Cormet worden we opgevangen in La Suche boven Courmayeur. Daar onthalen de Nederlandse José en haar man ons op een pastamaal, broodjes, water, bier, een fruitsalade en nog meer verrassingen. José en haar man zijn de eigenaars van een van de grotere hotels  (Hotel Croux) van Courmayeur en zeer sympathiek. De vreetpartij geeft ons verhaal een positieve glans. Ik geniet even (ongrammaticaal). Het bacchanaal is speciaal voor ons klaargemaakt, maar ook andere PTL teams nemen het er van op deze ‘wilde bevoorrading’, die ook in de Tor regelmatig voorkomen. Daarna gaat het naar beneden, naar Courmayeur. Robin laadt op bij het idee dat hij zijn vrouw en zoon even zal zien in het dal. Helemaal soepel loopt de ontmoeting niet. Het is na een lange autoreis vanuit Nederland naar Italië niet meteen feest om twee verwilderde lopers te moeten zoeken in de wirwar van wegen net buiten Courmayeur. Maar het lukt Myanou, Robin’s vrouw, om ons te vinden. Robin knuffelt vrouw en zoon Yoshua en door gaan we…
Na de ontmoeting gaan we de vijfde nacht in, die begint met een via ferrata  naar de Mont Chetif. Het is een klim van 1000 meter met behoorlijk wat ketting en kabelwerk. Robin voelt zich als een bedreigde diersoort die gaat worden uitgeroeid, maar niet weet op welke wijze en wanneer. Toch komt hij na een lange lijdensweg boven.

We lopen een stuk tegen de stroom in van de UTMB en zien op onze weg naar de Col de Seigne de eerste 20 UTMB-lopers langsstormen. Ergens halverwege het dal slaan we af naar de Col Youlaz, weer een stukje aardig PTL terrein. Ik maak een navigatiefout en we komen terecht op een puinhelling op een verkeerde berg waar we uiteindelijk handen en voeten nodig hebben om voort te bewegen. Dit voelt niet goed. Ik besluit na telefonisch contact met de racedirectie om weer af te dalen en andere teams op te wachten. Robin heeft het niet meer. Hier naar beneden? Hoe dan? Ik doe het voor. Je neemt een flinke sprong de diepte in en glijdt dan nog een flink stuk door. Dat herhaal je tot je beneden bent. Robin zet een stap, gaat onderuit en valt op zijn arm. Hij brult. Meer van angst dan van de pijn vermoed ik, hoewel er later een flink gat in zijn arm zit. ‘Doorlopen!’ is mijn enige botte reactie. Ik ben klaar met het gemuts van Robin. Iets verderop zie ik een driemans team lopen. Daar wil ik bij aansluiten om uit dit doolhof te komen. Robin moet maar even niet zeuren.
We sluiten aan bij Mario Ramos (Peru) en de twee Catalanen, met wie hij op stap is. Ik leg snel in het Spaans even uit wat er speelt, in de hoop dat Robin het niet verstaat. Mario helpt ons. We vinden een manier om een sfeer van onbevangenheid te creëren, waarbij we in een stevig tempo naar boven lopen via een soort pad. Vier uur later kruisen we de Col de Seigne bij het eerste daglicht. Daar passeert dan net de laatste UTMB’er.

We staan weer op Franse bodem na vijf etmalen lopen (120 uur). Nog een kleine 50 km. Het zal nog een etmaal duren voor we Chamonix bereiken. We klunen voort. Die nacht wordt de race ingekort vanwege een heftig onweer. Het is de redding van Robin. Het laatste ‘interessante’ stuk naar de Nid d’Aigle (2800 m) komt te vervallen. Maar ook de laatste twee kleine passen die ervoor in de plaats komen zijn teveel voor Robin. Hij geeft aan dat hij de handdoek in de ring gaat gooien. Ik vat het niet. Gaat ie hier nu stoppen, op 12 km van de finish? Ik neem zijn rugzak over en we proberen wat er  gebeurt als hij zonder gewicht van 7 kilo loopt. Het werkt. Robin komt weer wat op gang. Voetje voor voetje stiefelen we naar het laatste hoge punt (2000 m) om van daar in een keer af te dalen naar les Houches, een dorpje niet ver van Chamonix. Vandaar lopen we samen met Myanou en zoon Yoshua in een dik uur naar de finish. Voor Yoshua (8) is het ver lopen. Maar daags erna krijgt hij voor zijn grootse verrichting een stoer zakmes cadeau.

PTL 2016 werd wederom een zware bevalling. Na 146 uur was er een finish. En toen was er bier. Veel en lang bier.

Dit is het verhaal van de antihelden die proberen te overleven in de achterhoede. TD en Gideon creëerden het verhaal van de twee Nederlanders die een goede tijd neerzetten in de PTL. Ze kwamen na 116 uur als tweede team aan in Chamonix, en dat mag een prestatie van formaat worden genoemd, al laten de grote namen in de trailwereld de PTL angstvallig links liggen. De afgelopen jaren waren het de Belgen die deze race op hun naam wisten te zetten. Dit jaar gingen twee Zwitsers er met de hoofdprijs vandoor. For the records: van de 108 startende teams haalden er 47 de finish. Daarnaast dunden onderweg heel wat driemansteams uit naar tweemansteams.

Splash this around